Ondernemingsconferentie: nog niet afgewerkt

Tussentijdse evaluatie ABVV, ACV en ACLVB

03/12/03 - De ondernemingsconferentie komt in de laatste rechte (?) lijn. Vrijdag 5 december zou de laatste vergadering plaatsvinden. Voor we de laatste sprint inzetten, willen we als vakbonden een tussentijdse balans opmaken en duidelijk onze verwachtingen formuleren naar het eindresultaat.


1. We zien het evenwicht nog niet

Laat ons duidelijk zijn: ook wij willen een sterk draagvlak voor de economie.
In de aanloop van en tijdens deze conferentie, hebben we met de drie vakbonden samen heel wat concrete voorstellen ingebracht, 36 om precies te zijn, met daarbij een zware nadruk op investeringen (in innovatie, in onderwijs en opleiding, in mobiliteit, in voorkomingsbeleid….).  
De ondernemingsconferentie is dus niet het private jachtterrein van de werkgeversorganisaties alleen.

Vandaag lijkt men te vergeten dat de conferentie de vertaling moest zijn van de VESOC-afspraken van juli, waarin werd afgesproken op evenwichtige wijze vier sporen verder uit te werken:
- directe jobcreatie
- arbeidsmarktbeleid
- bevordering van het ondernemingsklimaat
- flankerend beleid (inz. mobiliteit).
Een beleid ter bevordering van groei en werkgelegenheid overstijgt in ruime mate het beleidsveld ‘economie’ en is veel meer dan wat nieuwe fiscale incentives voor bedrijven en beleggers.  

Voor alle beleidsdomeinen, dus ook voor onderwijs, opleiding, welzijn, werkgelegenheid en mobiliteit, moet worden nagegaan hoe zij versterkend kunnen optreden in functie van groei en werkgelegenheid. En telkens moet onderzocht worden hoe de beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk kunnen worden ingezet.  

Dat doelmatigheidsstreven lijkt zoek in het huidige opbod wat betreft steun aan bedrijven en starters.
We rekenen er dus op dat de ca. 100 miljoen euro die voor dit impulsprogramma  in 2004 is voorzien, op een evenwichtige en doelmatige wijze worden ingezet over het geheel van de beleidsdomeinen in 2004 en later, indien er sprake is van een meerjarenprogramma.

2. Wat we goed vinden, maar wat nog uitwerking hoeft

In het globale menu dat vorige week werd gepresenteerd, zitten in elk geval ook een aantal positieve aanzetten. Maar de precieze modaliteiten zijn er echter nog niet van bekend. Het betreft onder meer:

  • de opleiding van werklozen naar knelpuntberoepen
  • een tweede kans voor ongekwalificeerde jongeren op een startkwalificatie
  • gerichte jobcreatie in de social profit
  • versterking van de opleidingscheques voor werknemers
  • maatregelen inzake woon-werkverkeer, met engagementen ook van het  bedrijfsleven
  • stimuleren van milieutechnologie en energie-efficiëntie
  • actieplan ICT-basisvaardigheden, als onderdeel van een globale geletterdheidsstrategie.

We vragen dat deze aanzetten op korte termijn worden vertaald in concrete beleidsvoorstellen.
We vragen ook dat er op korte termijn een definitief uitsluitsel komt over de 33,5 miljoen euro die nodig zijn om tot een sluitende begeleidingsaanpak te komen naar kortdurig en langdurig werklozen, gekoppeld aan een versterking van de opleidings- en werkervaringskansen voor langdurig werklozen.

3. Wat ontbreekt?

Een aantal voor ons essentiële hefbomen ontbreken vooralsnog in het plaatje:

  • een verdieping en verbreding van de innovatieaanpak, ondermeer door  innovatie voorwerp te maken van sociaal overleg en door innovatie van arbeidsorganisaties te stimuleren. Het Innovatiepact mag geen onderonsje blijven met de werkgevers en het hoger onderwijs, zonder betrokkenheid van de werknemers
  • een versterking van het beleid naar werknemers in bedrijven in herstructurering en in moeilijkheden, gericht op het maximaal voorkomen van naakte ontslagen en van langdurige werkloosheid nadien
  • een echte impuls voor duurzaam ondernemen en in het bijzonder naar de sociale economie
  • eerste concrete maatregelen in het verlengde van het recente protocol over de evenredige participatie van personen met een arbeidshandicap
  • gerichte maatregelen om het alternerend leren te versterken (in het verlengde van de Platformtekst).

We vragen dat die leemten op korte termijn een invulling krijgen.

4. Wat niet kan

Wat absoluut moet vermeden worden is dat het een operatie wordt om de gewone ondernemingskosten en ondernemings- en beleggersrisico’s af te wentelen op de gemeenschap.
Meest problematisch vanuit dit oogpunt zijn:

  • de Vlaamse ‘Vriendenlening’: dit wordt voorgesteld als een steun voor opstart van nieuwe ondernemingen, naar het voorbeeld van de Nederlandse Tante Agaatregeling. Uit de Nederlandse ervaring blijkt dat deze lening vooral dient voor overname van activiteiten. Bovendien wordt opnieuw de progressiviteit in de personenbelasting ondermijnd.
  • de gratis verzekering ‘inkomensverlies voor starters’:  het kan niet zijn dat de werknemers de eigen verzekering tegen werkloosheid betalen terwijl de overheid collectief instaat voor de financiering van het (al dan niet reële) inkomenstekort voor zelfstandige starters. Waarom krijgen ook de schoolverlaters, die nog een beroepsopleiding volgen of deeltijds werk aanvaarden, dan geen  gewaarborgd inkomen op kosten van de overheid?
  • de aangekondigde innovatiepremies voor kleine bedrijven, die - indien niet selectiever omschreven - hoe dan ook een zwaar “deadweight”-effect zullen teweegbrengen

Die “etatisering” van de gewone bedrijfs- en beleggersrisico’s staat geheel haaks op de ijver om de dienstverlening naar de bedrijven te privatiseren en dit vooral richting werkgeversorganisaties:

  • de huizen van de Vlaamse economie (waarvan een aantal inmiddels al zijn geopend) worden opnieuw gesloten, met in de plaats daarvan een privaat, door de overheid gesubsidieerd, monopolie voor de ondernemingsloketten gerund door de werkgeversorganisaties (inclusief voor niet-leden)
  • tegelijk ligt ook een voorstel voor om de startersformaliteiten gratis te maken: dit is aanvaardbaar als het gaat om de kosten bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. Maar het kan toch niet de bedoeling zijn dat de werkgeversorganisaties binnenkort ook hun kosten voor dienstverlening aan hun leden gaan factureren aan de Vlaamse overheid?

Wat hoegenaamd ook niet kan is dat het instrument van de dienstencheques gebruikt zal worden in functie van de commercialisering van de zorgsectoren, zoals de kinderopvang.  
We herhalen dat dienstencheques, naast de poetshulp thuis, enkel kunnen voor de thuisopvang van kinderen op extreem vroege en extreem late uren en enkel vanuit de erkende voorzieningen, onder controle van Kind & Gezin (dus geen uitzendkantoren of sui generis agentschappen bij privé-ondernemingen).

Wat betreft de poetshulp thuis vragen we ook dat de Vlaamse overheid de ruimte, die de federale overheid laat voor betere contractvoorwaarden, optimaal benut: geen aantasting van de arbeidsrechtelijke 1/3 en 3 u. regels.

Contact

  • Jean-Marie De Baene - Diensthoofd - 02 506 82 23

Zoek op trefwoord

arbeidsmarkt innovatie mobiliteit ondernemen opleiding sociale economie werkgelegenheidsbeleid

Deze internetsite maakt gebruik van cookies. Dit doen we om uw surfervaring op deze website beter te maken.
U kunt ten alle tijde deze cookies weigeren of verwijderen door de instellingen in uw browser aan te passen.
Meer informatie hierover vindt u op https://www.aboutcookies.org/

Als u gewoon verder surft, geeft u toestemming om deze cookies te gebruiken.